1. Mijn goede Herder is de Heer,bij Hem ontbreekt mij niets;aan rustige waat’ren voert Hij mij;mijn ziel verkwikt Hij weer.
2. Al ga ik door een donker dal,ik vrees het kwade niet;zijn stok en zijn staf vertroosten mij;Hij, die mij leiden zal.
3. Mijn Herder, niets is Hem teveel,zijn olie zalft mijn hoofd,mijn beker vloeit over van zijn trouw;genade is mijn deel.
4. Ja, heil en goedertierenheid,zij volgen op mijn pad.In ’t huis van mijn Heer verblijf ik eenstot in de eeuwigheid.