Book cover

Een arme zwerver, moed’ en mat

Lofzangen, 23


0:00 0:00
All Verses


1. Een arme zwerver, moed’ en mat,kwam op mijn weg vaak voor mij staan,die dan zo need’rig ’Help mij’ baddat ik zijn wens niet af kon slaan.Hoewel ik nooit zijn naam vernam,waarheen hij ging, vanwaar hij kwam,won iets wat in zijn ogen glom mijn liefd’,al wist ik niet waarom.

2. Eens was mijn karig maal gereedtoen hij stilzwijgend binnentrad.Ik merkte dat hij honger leeden ’k gaf hem alles wat ik had.Hij dankte, at, en, was ’t niet veel,ook ik kreeg iets: een eng’lendeel.Want toen ik daar ten maaltijd zatwas ’t mij alsof ik manna at.

3. Ik vond hem eens waar uit een rotseen bron sprong, waar hij kracht’loos lag.Hoe spotte met zijn dorst ’t geklotsvan ’t water dat hij stromen zag!Ik hielp hem, hij gaf geen geluid,driemaal dronk hij mijn beker uit;ik kreeg hem overvloeiend weer,ik dronk en dorstte nimmermeer.

4. ’t Was nacht, een ruwe stormwind joeglangs ’t veld; de vloed was hooggegaan.Daar klonk zijn stem! ’k Stond op en vroeghem in mijn huis. Dat nam hij aan,waarna ik hem van alles gaf–’k stond zelfs mijn eigen bed hem af.En in mijn droom – ’k lag op de grond–was ’t of ’k in Eden mij bevond.

5. Beroofd, gewond en bijna doodvond ik hem langs de weg. Ik brachtzijn adem weer; in wonden gootik olie; voedsel gaf hem kracht.Weldra was hij hersteld, gezond,ikzelf verborg een diepe wond,maar ik vergat sindsdien de smartmet vreed’ in mijn berouwvol hart.

6. Gevangen trof ik hem eens aan,bedreigd met een verraderslot.Ik bracht de leugenstroom tot staanen eerde hem spijt smaad en spot.Het grootste blijk van trouw vroeg hijmij even later: Sterf voor mij.Het vlees was zwak, mijn bloed werd kil,mijn geest riep echter uit: ’Ik wil!’

7. Toen heeft hij in een ogenblikal zijn vermomming afgedaan.Die wond’ in elke hand kend’ ik;ik zag de Heiland voor mij staan!Tot mij, ja, zelfs tot mij sprak Hij:Gij hebt u nooit geschaamd voor Mij.Uw daden kunnen niet vergaan,vrees niet, gij hebt z’aan Mij gedaan.