Book cover

Juich, wereld, juich!

Lofzangen, 138


0:00 0:00
Introduction
All Verses

1. Juich, wereld, juich, de Heer ’s nabij, en aard’, uw Vorst ontvang! Dat ieder hart ontvank’lijk zij! O, juich met d’ eng’lenzang, o, juich met d’ eng’lenzang, o, juich, o, juich met d’ eng’lenzang.

2. Juich, heil’gen, juich, begroet uw Heer, die hier regeert eerlang! Langs veld en beemd, rivier en meer weergalm’ het lofgezang, weergalm’ het lofgezang, weergalm’, weergalm’ het lofgezang.

3. Zonde noch smart aanschouwt men er, geen doorn ontsiert de grond. Gods milde zegen gaat zo ver alsof geen vloek bestond, alsof geen vloek bestond, alsof, alsof geen vloek bestond.

4. Juich, heil’gen, juich tot God omhoog, nu Isr’els volk vermeert als sterren aan de hemelboog en God voortdurend eert, en God voordurend eert, en God, en God voortdurend eert.